De vaststelling van de aansprakelijkheid is in letselschadezaken doorgaans het startpunt. Zodra de aansprakelijkheid is erkend, ligt de schadevergoedingsplicht vast. Daarom is het vaststellen van de aansprakelijkheid vaak voer voor discussie. Dat was ook het geval in een recente zaak over een verkeersongeval uit 2019. Daarbij probeerde de aansprakelijkheidsverzekeraar een eerder gedane erkenning van de aansprakelijkheid in te trekken. Maar mag dat zomaar? Op 14 februari 2024 deed de rechtbank Rotterdam hierover een uitspraak. In deze blog bespreek ik de belangrijkste onderdelen uit die uitspraak.

mr. Timothy Boerendonk

Door mr. Timothy Boerendonk

WAT SPEELDE ER?

Verkeersongeval
Op 7 april 2019 ontstond op de A12 bij Zoetermeer een verkeersongeval. Daarbij waren drie auto’s betrokken: een zwarte Toyota Auris, een blauwe Skoda Octavia en een grijze Renault Megane. Door het ongeval ontstond ernstige materiële schade en (zwaar) letsel bij enkele betrokkenen en inzittenden.

De politie stelde in eerste instantie de voorlopige toedracht vast. Volgens de politie stuurde de bestuurster van de Toyota bij het inhalen van de Skoda te vroeg naar rechts, waardoor een botsing met de Skoda ontstond. Beide voertuigen begonnen te spinnen, raakten ook de Renault, en veroorzaakten ernstige schade.

Na het ongeval legden de betrokkenen een verklaring bij de politie af en vulden zij de schadeformulieren in. Die verklaringen liepen echter uiteen. Volgens de bestuurster van de Toyota werd juist zij aangereden door de Skoda toen zij deze inhaalde. De bestuurder van de Skoda kon niet vaststellen welke auto schuldig was, maar vermoedde dat hij van achteren was aangereden.

Erkenning aansprakelijkheid
Allianz was als WAM-verzekeraar van de Toyota betrokken bij de afhandeling van de schade. Europe Insurances was de (Ierse) WAM-verzekeraar van de Skoda. AMS trad daarom als wettelijk vertegenwoordiger op voor Europe Insurances. Leaseplan was als leasemaatschappij van de Skoda betrokken bij de zaak.

Allianz stelt AMS in eerste instantie aansprakelijk voor de door het ongeval ontstane schade. AMS wees die aansprakelijkheid toen af. Allianz bericht Leaseplan dat zij op de beoordeling van de aansprakelijkheid terugkomt als zij het proces-verbaal van de politie heeft ontvangen. Later laat Allianz op 14 januari 2020 aan Leaseplan weten dat zij de aansprakelijkheid erkent. Op 28 mei 2020 bevestigt Allianz nogmaals de aansprakelijkheid.

Verkeersongevallenanalyse
Allianz ontvangt ruim een jaar later opnieuw aanvullende informatie. Op 9 december 2019 werd een verkeersongevallenanalyse uitgevoerd. Het bijbehorende proces-verbaal en die van het aanvullend onderzoek van de politie worden dan op 29 januari 2021 door Allianz ontvangen. Aan de hand van die informatie laat Allianz in de ochtend van 26 februari 2021 aan Leaseplan opnieuw weten de aansprakelijkheid te erkennen. Diezelfde middag komt Allianz echter terug op dit bericht en laat de behandelaar van het dossier weten dat hij/zij te snel conclusies heeft getrokken. Hij/zij schrijft dan dat het nog niet duidelijk is wie aansprakelijk is voor het ontstaan van de aanrijding. Aan Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) is gevraagd welke conclusies er uit de verkeersongevallenanalyse kunnen worden getrokken.

OAN concludeerde aan de hand van de verkeersongevallenanalyse dat de eerste aanrijding plaatsvond doordat juist de Skoda tegen de zijkant van de Toyota reed. Dat spreekt de eerdere toedrachtsverklaring van de politie dus tegen. Aan de hand van deze conclusie laat de advocaat van Allianz aan Leaseplan weten dat het ongeval door de bestuurder van de Skoda is ontstaan en dat Allianz terugkomt op de erkenning van aansprakelijkheid. AMS houdt echter vast aan de eerdere erkenningen van aansprakelijkheid die door Allianz aan Leaseplan werd gedaan.

Het conflict over de aansprakelijkheid blijft voortduren. Daarom stapt AMS naar de rechter.

STANDPUNT VAN PARTIJEN

AMS vordert bij de rechtbank dat Allianz en haar verzekerde niet kunnen terugkomen op de erkenning van aansprakelijkheid. Daarnaast vordert AMS c.s. een veroordeling tot betaling van de schade, vermeerdert met de proceskosten. Allianz c.s. voert verweer op deze vordering en concludeert tot afwijzing van de vordering.

Op haar beurt vordert Allianz weer dat de rechtbank uitspreekt dat haar verzekerde niet aansprakelijk is voor het ongeval en dat juist de wederpartij aansprakelijk is. Allianz meent dat zij niet gehouden kan worden aan de gedane erkenning. De feitelijke toedracht van het ongeval bleek volgens Allianz anders dan waarvan uitging bij de erkenning van aansprakelijkheid. Mocht de aansprakelijkheid toch worden aangenomen, dan resteert geen vergoedingsplicht voor Allianz vanwege eigen schuld bij de wederpartij. AMS voert hier verweer op en concludeert tot afwijzing van deze vorderingen in reconventie, met veroordeling van Allianz c.s. in de proces- en nakosten.

OORDEEL VAN DE RECHTBANK

De erkenning
De rechtbank beschrijft allereerst de gang van zaken rondom de erkenning. Daaruit blijkt dat Allianz na ontvangst van het proces-verbaal tot tweemaal toe laat weten dat zij de aansprakelijkheid erkent. Volgens de rechtbank heeft Allianz willens en wetens én zonder enig voorbehoud de aansprakelijkheid erkend. Hiermee is volgens de rechtbank géén sprake van een voor AMS kenbare vergissing van Allianz. Daarbij heeft Allianz volgens de rechtbank ook naar die erkenning gehandeld.

Jurisprudentie
Vervolgens gaat de rechtbank in op de geldende rechtspraak op het gebied van de erkenning. Uit de jurisprudentie blijkt dat een aansprakelijkheidsverzekeraar in beginsel niet kan terugkomen op een aan een derde gedane erkenning van aansprakelijkheid. Dat geldt ook indien een opvatting van een deskundige achteraf onjuist of onduidelijk blijkt. Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen komt dit voor rekening van de verzekeraar.

Een verzekeraar is slechts niet aan haar erkenning gebonden als de erkenning werd gedaan op basis van bedrog. Dat wil zeggen dat de rechtshandeling (lees: de erkenning) op basis van een wilsgebrek is gedaan. In dat geval is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de verzekeraar aan deze erkenning wordt gehouden.

Oordeel
Allianz heeft echter niet gesteld dat hier sprake is van bedrog. Volgens Allianz is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om haar aan de erkenning te houden, omdat de feitelijke toedracht van het ongeval anders lag dan waarvan werd uitgegaan ten tijde van erkenning.

Over de toedracht constateert de rechtbank dat er tegenstrijdige verklaringen en onduidelijkheden uit het dossier blijken. De rechtbank concludeert dat daarom geen eenduidig beeld kan worden gevormd over de daadwerkelijke toedracht. Daarbij laat de rechtbank ook de mogelijkheid open dat meerdere partijen een verkeersfout hebben gemaakt. Allianz heeft volgens de rechtbank te weinig aangevoerd om de door haar gestelde feitelijke toedracht aannemelijk te maken of te bewijzen. Volgens de rechtbank is het dus niet – zoals Allianz stelt – duidelijk dat de feitelijke toedracht anders was dan in eerste instantie werd aangenomen en dat het daarom onaanvaardbaar is om aan haar erkenning te houden.

Echter, zelfs als een andere feitelijke toedracht zou vaststaan, is dat volgens de rechtbank alsnog onvoldoende reden om Allianz toe te staan om op de erkenning terug te komen. De onjuiste voorstelling van de toedracht komt dan, naar verkeersopvattingen, voor rekening en risico van Allianz. Eventuele vergissingen aan de kant van Allianz dienen voor haar (als professioneel WAM-verzekeraar) te blijven. Zeker nu geen sprake is geweest van een overhaaste beslissing. Allianz is daarom gebonden aan haar erkenning. Tot slot gaat de rechtbank niet mee in het standpunt dat sprake is van eigen schuld.

CONCLUSIE

Deze uitspraak laat zien dat een verzekeraar in beginsel een erkenning van aansprakelijkheid niet kan intrekken. Slechts als sprake is van bedrog, zou de redelijkheid en billijkheid de intrekking kunnen rechtvaardigen. Dat is echter niet het geval als achteraf blijkt dat een ander oordeel aan een deskundigenrapport toekomt. Ook niet als blijkt dat het ongeval een andere toedracht had. Naar verkeersopvattingen komt dit dan voor rekening van de verzekeraar.

De in deze uitspraak aangehaalde jurisprudentie laat ook zien dat zeer terughoudend wordt geoordeeld over het intrekken van een erkenning. Het is dus voor de aansprakelijkheidsverzekeraar van belang om de grondslag van de erkenning en de gevolgen daarvan goed in acht te nemen.

(Bron: Vogelaar Bosch Spijer Advocaten)