Op 4 september jl. veroordeelde de rechtbank Amsterdam beeldend kunstenaar Julian Andeweg (1986) voor verkrachting, aanranding en mishandeling van diverse vrouwen tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Andeweg werd vrijgesproken van vier andere zedenfeiten en werd verminderd toerekeningsvatbaar verklaard. Ook over de vorderingen van de slachtoffers (benadeelde partijen) werd in deze zaak een beslissing genomen. Daarover gaat dit blog.

mr. Dirk van der Wulp

Door mr. Dirk van der Wulp

De zaak
Deze zaak begon toen NRC op 30 oktober 2020 een uitvoerig artikel publiceerde waarin diverse vrouwen de kunstenaar beschuldigden van strafbare feiten, waarvan aangifte was gedaan bij de politie. De aantijgingen gingen om ernstige feiten zoals verkrachting, huishoudelijk geweld, stalking en intimidatie over langere periode en tegen meerdere vrouwen gepleegd.

NRC deed drie maanden onderzoek naar de zaak voordat dit artikel werd gepubliceerd en sprak naar eigen zeggen met zo’n tachtig betrokkenen over het gedrag van de kunstenaar. NRC besloot, na een afweging van de privacy tegenover de omvattende, ernstige beschuldigingen de achternaam van de kunstenaar voluit te publiceren, hetgeen daarna door de meeste media is overgenomen. Gezien die situatie zal daarbij in dit blog worden aangeknoopt nu de achternaam van de verdachte inmiddels overal is verschenen. Na onderzoek door het OM werd een strafzaak opgestart die resulteerde in het vonnis van 4 september 2023. In de procedure zijn Andeweg zeven feiten ten laste gelegd, te weten aanranding van twee vrouwen, ontucht, verkrachting van drie vrouwen en het meermaals mishandelen van de levensgezel (knijpen, door elkaar schudden, slaan, schoppen over langere periode). Dit zou hebben plaatsgevonden in de periode 2013 tot en met 2018. Ook de NOS berichtte hierover.

In een aantal gevallen erkende de verdachte dat er (vaak onder invloed van verdovende middelen) seksuele handelingen waren verricht maar voor vrijwel alle feiten ontkende hij dat er strafrechtelijk verwijtbare zaken waren gebeurd. Het meermaals mishandelen van zijn ex-partner bekende hij wel. De rechtbank heeft vervolgens voor alle feiten de beschikbare bewijsmiddelen gewogen en vervolgens per feit een beslissing genomen of er sprake was van voldoende bewijs. Daarbij was de handelwijze van Andeweg onvoldoende gelijksoortig om een specifieke modus operandi aan te nemen en op die manier een schakelbewijsconstructie te hanteren. Dit leverde op dat Andeweg van vier feiten werd vrijgesproken en voor drie feiten werd veroordeeld, namelijk aanranding, verkrachting en meermalen gepleegde mishandeling van zijn ex-partner. Op grond hiervan volgde een veroordeling tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk en bijzondere voorwaarden zoals een contactverbod, een meldplicht bij GGZ Reclassering te Den Haag en behandeling door Forensische Polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling. Dit om een risico op herhaling te voorkomen.

De vordering benadeelde partij
De rechtbank oordeelde dat de verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze drie vrouwen. Enkel ten aanzien van de ex-partner betuigde de verdachte hiervoor spijt, aldus de rechtbank. Dit brengt bij de vorderingen van de benadeelde partijen die in deze zaak waren ingediend. Ten aanzien van de feiten waarvoor Andeweg werd vrijgesproken geldt dat de vorderingen van deze benadeelde partijen om schadevergoeding niet-ontvankelijk moeten worden en ook werden verklaard. Er bleven slechts twee vorderingen over van slachtoffers, nu één slachtoffer in de procedure geen vordering had ingediend. De beide overige slachtoffers vorderden elk  € 5.000,- aan immateriële schade en brachten tijdens de procedure via hun advocaat naar voren dat zij geen gedetailleerde weergave wensten te geven van hun psychische schade. De vordering werd qua hoogte gebaseerd op een letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

De rechtbank heeft de zaak zo begrepen dat door de slachtoffers is bedoeld om hun vordering te baseren op een aantasting in de persoon op andere wijze. Dit werkt als volgt. Op grond van art. 6:106 BW kan een slachtoffer een bedrag aan immateriële schade vorderen van degene die onrechtmatige handelingen heeft gepleegd. Dit ‘andere nadeel’ komt alleen voor vergoeding in aanmerking als de wet daar expliciet recht op geeft. Er bestaan daarvoor drie categorieën, waarvan ik de twee belangrijkste zal bespreken. Allereerst kan dit wanneer de aansprakelijke persoon het doel had om dit nadeel bij het slachtoffer toe te brengen. Ten tweede kan vergoeding worden verzocht als er sprake is van deze drie situaties: (a) er is lichamelijk letsel opgelopen, (b) het slachtoffer is in zijn eer of goede naam geschaad of (c) het slachtoffer is op andere wijze in de persoon aangetast. Optie (a) speelt in de meeste letselschadezaken, zoals bij verkeersongevallen waarbij letsel is opgelopen door het slachtoffer. De rechtbank knoopt in deze zaak dus aan bij optie (c), een restcategorie. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 2020 waarin werd aangenomen dat als de ernst en aard van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen (enkel) op grond daarvan een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De Hoge Raad nam dit overigens al eerder aan, namelijk in HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019, 376. Dit is een uitzondering op de regel dat ook bij optie (c) geestelijk letsel in principe moet worden aangetoond, bijvoorbeeld met gerichte medische informatie van een psycholoog, huisarts of psychiater. Wanneer er sprake is van een ernstig strafbaar feit, zoals verkrachting of aanranding, is er sprake van een ernstige normschending die een ernstige inbreuk vormt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Dat is een grond die al sinds 2004 bestaat (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, Groningen/Lammers), dit naast de categorie van het zelfbeschikkingsrecht zoals in het arrest Baby Kelly is bepaald (HR 18 maart 2005) of een onrechtmatige perspublicatie (HR 4 oktober 2013, Het Parool/Van P.). Op die wijze konden de beide slachtoffers dus volstaan met het indienen van een vordering zonder een gedetailleerde weergave van hun psychische schade aan de rechtbank te overleggen. Wel besliste de rechtbank dat voor een verkrachting een hogere smartengeldvergoeding hoort te gelden dan voor een aanranding omdat het om een ernstiger strafbaar feit gaat, hetgeen goed te volgen is. Ook de bedragen werden verlaagd en niet gebaseerd op de letsellijst. Met een (niet concreet gemotiveerde) verwijzing naar bedragen in vergelijkbare zaken oordeelde de rechtbank dat het slachtoffer van de aanranding € 1.000,- toekwam en het slachtoffer van de verkrachting € 2.500,-. Op de bedragen werd wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel toegepast.

Het vonnis is hier terug te lezen.

(Bron: Jeroen Bosch Advocaten)