Een psychiater heeft een deskundigenrapport opgesteld in een langlopende letselschadeprocedure na een ongeval. Zij concludeert dat klager vermoedelijk een paranoïde persoonlijkheidsstoornis heeft, die niet het gevolg is van het ongeval. Klager betwist de werkwijze en de conclusies van de psychiater. Het tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en legt de psychiater de maatregel van een berisping op.

De psychiater had volgens het tuchtcollege een goede onderzoeksopzet en methode, maar zij verwoordde haar bevindingen op een manier die niet objectief was en vervormde feiten. Dit heeft geleid tot de schijn van vooringenomenheid en onzorgvuldigheid, wat in strijd is met de beroepsnormen.

Daarnaast maakte de psychiater in haar rapportage een niet onderbouwde stap van een ‘vermoedelijke persoonlijkheidsstoornis’ naar een diagnostische conclusie “persoonlijkheidsstoornis”. Het tuchtcollege weegt dat extra nu deze diagnose een bepalende rol had bij het doel waarvoor het onderzoek was aangevraagd.

Volgens het tuchtcollege heeft de psychiater zich onvoldoende reflectief en leerbaar opgesteld. Daarom legt het college de maatregel van berisping op.

Lees de uitspraak van het tuchtcollege hier.