Naar schatting 100 duizend jongeren kampen met de gevolgen van hersenletsel door een val, ongeluk of hersenbloeding. Een ‘stille epidemie’, zeggen experts. ‘Het zijn kinderen van wie scholen vaak denken: wat ís er toch met dat kind?’ Over de juiste behandeling van niet- aangeboren hersenletsel wordt getwist.

Als 18-jarige viel Karin in korte tijd twee keer van haar paard. Hersenschudding, luidde de diagnose in het ziekenhuis, beide keren. De eerste keer kwam ze met de schrik vrij. Na de tweede hersenschudding kreeg Karin, inmiddels 40, last van extreme vermoeidheid, overgevoeligheid voor licht en concentratieproblemen. Iets waardoor ze haar ambities flink heeft moeten bijstellen en waar ze tot op de dag van vandaag last van heeft.

Elk jaar komen 20 duizend kinderen als Karin, niet haar eigen naam, op de eerste hulp vanwege hersenletsel, mild letsel in het overgrote deel van de gevallen. Dat kan door een hersenbloeding komen of een tumor, maar vaker door een ongeluk of val op het hoofd: traumatisch hersenletsel. Die 20 duizend kinderen vormen het topje van de ijsberg, want dit zijn alleen de geregistreerde gevallen. Kinderen die na een smak van de trap, commode of schommel alleen door de huisarts of geen enkele arts worden gezien, staan nergens genoteerd. 

Maar dat wil niet zeggen dat ze nergens last van hebben. Naar schatting 10 à 20 procent van deze kinderen krijgt op termijn problemen met hun sociaal-emotionele of cognitieve ontwikkeling. Het gaat om 100 duizend jongeren, schatten experts. Een ‘stille epidemie’ wordt het weleens genoemd, want hersenletsel dat in de kindertijd ontstaat is aan de buitenkant meestal niet te zien en de gevolgen zijn bovendien niet meteen duidelijk. ‘Het zijn kinderen van wie scholen vaak denken: wat ís er toch met dat kind?’, zegt Eric Hermans, medisch socioloog.

Lees het hele artikel hier.

(Bron: Volkskrant)