De Stichting Japanse Ereschulden gaat met het kabinet in gesprek over excuses en compensatie voor slachtoffers van de Japanse bezetting van de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. De gesprekken volgen op een rechtszaak die de stichting aanspande tegen de Nederlandse staat, waarbij financiële compensatie werd geëist voor de Nederlandse onderdanen die hebben geleden onder de Japanse bezetting in Nederlands-Indië van 1942 tot 1945. Slachtoffers kregen te maken met onder meer uithongering, marteling en seksuele uitbuiting.

Gevangenen uit de Japanse concentratiekampen, dwangarbeiders en andere slachtoffers van de Japanse bezetting vinden dat hun leed na de bezetting onvoldoende is erkend. Voor dat gebrek aan erkenning en de slechte ontvangst in Nederland willen ze excuses, zegt de vicevoorzitter van de Stichting Japanse Ereschulden (SJE). SJE wijst erop dat Nederlanders die slachtoffers werden van de Duitsers wel een schadevergoeding kregen, maar die van de Japanse bezetting niet.

Slachtoffers van de Japanse bezetting kregen nooit financiële compensatie voor hun leed. Japan kocht dat af met een bedrag van 10 miljoen dollar bij de Nederlandse staat, waarbij Nederland Japan vrijwaarde van schadeclaims. Daarom spande SJE vorig jaar een rechtszaak aan tegen de Nederlandse overheid. De rechter wees een eis tot financiële compensatie afgelopen zomer af, maar raadde het kabinet aan om met SJE in gesprek te gaan.

Het is voor de nabestaanden niet mogelijk om compensatie te krijgen van Japan, vanwege twee verdragen die Nederland met Japan sloot: het Vredesverdrag van San Francisco uit 1951 en het Stikker-Yoshida Protocol uit 1956.