In een deelgeschilprocedure heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bepaald dat het verlies van vrije tijd als gevolg van letsel, in casu vrije tijd die moet worden gebruikt om uit te rusten en daarom niet aan andere activiteiten kan worden besteed, niet herleidbaar is tot vermogensschade. De schade valt daarom onder het smartengeld en vormt geen apart te verhalen schadepost.

Benadeelde is op haar fiets ten val gekomen bij een verkeersongeval en heeft daarbij hersenletsel opgelopen. Verzekeraar ZLM heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Uit de neurologische expertise komt naar voren dat sprake is van een licht verhoogde geestelijke vermoeidheid.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of het ongevalsgerelateerde verlies aan vrije tijd als vermogensschade moet worden beschouwd. Er dient beoordeeld te worden of deze verloren tijd een waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigt. Daarover is een deelgeschil ingesteld bij de rechtbank.

Verloren vrije tijd als vermogensschade
Benadeelde stelt dat de verhoogde vermoeibaarheid het gevolg is van het hersenletsel dat zij heeft opgelopen en dat dit feitelijk resulteert in de noodzaak om overdag enkele uren te slapen en ook ’s nachts enkele uren langer te slapen. Deze extra uren slaap, die zijn inschat op vier uur per dag, dienen volgens haar te worden vergoed als vermogensschade, nu dit tijdverlies op geld waardeerbaar is.

ZLM stelt dat het verlies van vrije tijd niet kan worden aangemerkt als vermogensschade, maar een vorm van immateriële schade betreft, tenzij er sprake is van gederfde inkomsten of gederfde winst of als de verloren tijd geduid kan worden als “een uitgave ter verkrijging van een misgelopen voordeel”.

Niet op geld waardeerbaar
Daar gaat de rechtbank in mee. “Ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 BW omvat vermogensschade geleden verlies en gederfde winst. De tijd die zij “verliest” door extra slapen of rusten was tijd die zij als vrije tijd besteedde en er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat die tijd op geld waardeerbaar was.”

De rechtbank overweegt dan ook dat het ontnemen van vrije tijd in casu niet in de vermogenssfeer ligt. De vorderingen van benadeelde zijn afgewezen.